![]() | ||||||||||
![]() ![]() | ||||||||||
| ||||||||||
![]() | ||||||||||
|
Inleiding
In het voorjaar van 2002 zette ik de eerste schetsen op papier voor een granietbeeld. Mijn werkwijze is vervolgens dat ik in drie dimensies contouren van de beoogde vorm op papier zet, waaruit ik de massa’s steen bij benadering kan bepalen die nodig zijn om het beeld in werkelijkheid te kunnen gaan ontwikkelen.
Uit de keuze om een roodachtige granietsoort te willen gebruiken, kwam de praktische mogelijkheid om in Bretagne te gaan kijken. De dichtstbijzijnde andere mogelijkheid werd Scandinavië en daar is dan weer een boot voor nodig. Aangezien het beeld geen opdrachtsituatie is, maar uit eigen initiatief wordt gecreëerd, is er derhalve ook geen budget voor dit materiaal. Hieruit volgen dan de creatieve bokkensprongen om toch aan dat materiaal te komen, zoals verwoord in het verhaal.
Het is inmiddels november 2005. Drie jaar na onze rit, waarin overigens tussentijds nog een tweede transport heeft plaatsgevonden, is het beeld nog niet afgerond. Dat lijkt lang, maar er gebeuren tussentijds uiteraard andere dingen die prioriteit vragen. Zie o.a. het project ‘Andra Moi’ in de tuin van Sjaak Allemekinders. Toch is het ongeveer standaard geworden om zo’n twee tot drie jaar bezig te zijn met het realiseren van een beeld.
Ik hoop het beeld in februari afgerond te hebben en zal dat waarschijnlijk voor de laatste constructieve handelingen doen in de zware plaatwerkerij op het KGS terrein, ongeveer achter de tekening op de buitenmuur die ik al weer bijna 8 jaar geleden aanbracht. Het beeld is namelijk iets te groot geworden voor mijn eigen werkplaats. Aangezien Omroep Zeeland het proces van dit beeld al geruime tijd volgt, zal deze locatie een mooie afronding vormen voor de te maken reportage. Het is waarschijnlijk dat dit document uitgezonden zal worden op een speciale dag als geschoven kan worden met de vaste programmatie, zoals met de Paasdagen, die dit jaar 16 en 17 april vallen.
De titel van het verhaal, ‘Rose de la Clarté’, is tevens de naam van de granietsoort. Deze komt weer van het plaatsje Clarté en de kleur van de steen: roserood.
Rose de la Clarté
Om een uur of negen ‘s avonds – we vertrokken om zeven uur uit Vlissingen – gingen we, net Mont Saint-Michel voorbij dat als een ansichtkaart in het donker was verlicht, iets eten in een autoweg-eetetablissement. Volledig verlaten en overdadig met TL verlicht, lieten we ons bord volscheppen met een onduidelijke substantie met een nog onbestemder kleur door een piepkleine vrouw met een pikzwart snorretje: Plat du Jour, dat waarschijnlijk al even lang in de toonbank lauw werd gehouden als wij onderweg waren. Keurig in de pas lopend met de beroemde globalisering, smaakte de even beroemde franse keuken zelfs met toediening van een flinke laag zout naar niets. Al met al vonden we net zo’n gezellig motelletje en vielen, toch al gevorderd tot St. Malo aan de Bretonse noordkust, inmiddels opvallend naar diesel stinkend in bed.
Een hermetisch grijs. Geen verschil tussen land en lucht. Mijn eerste kennismaking met Bretagne in daglicht. Een gestage regen in zo’n dichtheid, dat de watersubstantie alles gelijk trok. Geen zicht op het kustgebied, waarnaar ik zo benieuwd was. De aanblik van de laadbak was onthutsend: een vette stinkende laag diesel, drijvend in het water. De plaats waar de wagen die nacht had gestaan was de enige plek die opvallend felle kleuren vertoonde.
Snel in de cabine en dat probleem naar later verplaatsen besloten we zonder woorden. Ons doel bereikten we tegen het middaguur: Perros-Guirec, een plaatsje op een klein stukje rots dat de zee insteekt. Het is het enige stukje in Bretagne, waar de rotsen uit rose-rood graniet bestaan en waar het mij om te doen was.
Direct achter het plaatsje belandden we in een vreemd landschap van schots en scheef gestapelde blokken van soms enkele kubieke meters, die door de regen donkerrood afstaken tegen de ineens opklarende lucht. Her en der staken kranen tussen de blokken uit als onderstreping van de vreemde disorde, die zeker ook iets moois had. Alle twijfel of ik misschien een vruchteloze reis zou maken om een steensoort aan te treffen die ik uiteindelijk niet zoek, verdween in een zekere opwinding. Gespannen om wat we zouden aantreffen en of we welkom zouden zijn, reden we een terrein op, waar tussen alle rommeligheid ineens een poging stond van iets keurigs, niet helemaal afgemaakt, maar zelfs met iets van een tuintje. Dit was het kantoortje van de carrière waarin naast alle tot kitsch verwerkte graniet in hoogglans prullaria een typisch franse vrouwelijke man zat aan een zelfde hoogglans tafel met tegenover hem zijn even typerende poedeltje. Niet de combinatie die je zou verwachten in een omgeving van absolute ruwheid. Vriendelijk werden we verzocht te wachten tot de Patron klaar was met een bespreking in een ander vertrekje.
De kleinschaligheid van dit kantoortje stemde me hoopvol voor de komende onderhandeling, omdat we rotsblokken wilden gaan zoeken in een zo ruw mogelijke vorm en om zo ook uit de handelswaarde van het steen te blijven. Uiteindelijk maakten we kennis met een klein dikkerdje met een uiterst vriendelijk gezicht, die ons welwillend te woord stond en aan een half gebrekkig Frans woord genoeg bleek te hebben.
Voldaan van zijn lunch duwde de Patron ons met onze modderpoten in z’n luxewagen. We hadden zijn carrière nog niet gezien. Slingerend tussen steenhopen en struikgewas reden we een open plek op, die gedomineerd werd door een enorme kraan en een buitenissig grote heftruck, die vijftien tons blokken graniet verplaatste alsof het suikerklontjes waren. Pas aan de rand van de eigenlijke groeve openbaarde zich iets van een totaal andere dimensie dat met gepaste trots gepresenteerd werd door de Patron: een vierkant gat van zo’n zestig bij zestig meter en een diepte van tachtig meter. Donkerrood door al het vocht stak daar een soort negatieve kathedraal de bodem in. Prachtig gestructureerd door de vierkant gezaagde blokken die daaruit gewonnen waren. Piepkleine mannetjes met gele helmen op, alsof die hen zouden kunnen beschermen, liepen op de bodem hun werk te doen. Er schijnen nog meer van die groeves te zijn, die bijna pal rond het plaatsje gesitueerd zijn. Ik kon het toch niet nalaten de Patron te vragen of hij wel eens het gevoel had dat ze in feite hun eigen grond aan het afgraven zijn en of daaraan een eind aan zicht is. Hij keek me ietwat hulpeloos aan en maakte slechts een gebaar die een eindeloze toekomst omvatte. Wegrijdend vroeg ik me af wat ze in godsnaam met die gaten moeten als ze stoppen op die plek. Ik durfde hem daarmee niet nog eens lastig te vallen.
In no-time lagen negen blokken graniet met behulp van een beestachtig grote graafmachine op ons vrachtwagentje en na een kop koffie en het doorbladeren van mijn documentatie, reden we met drie gekregen dertig liter jerrycans het terrein weer af. Drie ton voor driehonderd Euro was waar ik stiekem op had gehoopt. Een plaats waar ik rustig nog eens terug kan komen. Met de bidons achterop de laadbak gebonden, verbonden met de motor door allerlei slangen, kwamen we, via een nachtstop in Caen, van benzinestation naar benzinestation – te kleine tankjes – vrijdagavond om zeven uur weer in Vlissingen aan. Uiteindelijk veel sneller dan we gedacht hadden. Bretagne ga ik nog wel eens bekijken.
De stenen liggen hier op straat als klauterplaats voor de kindertjes en één ligt binnen, inmiddels doormidden gespleten. Het seizoen is weer begonnen.
Gertjan Evenhuis
![]() |
![]() |
||||||||
| ||||||||||
![]() | ||||||||||