Sleedoorn - Prunus spinosa, nu in bloei!

Ze zien er zo verleidelijk uit, de diepblauwe pruimen van de Sleedoorn, maar wat valt het tegen als je zo'n vrucht nietsvermoedend in je mond steekt. Zuur en vooral wrang, dat is de allesoverheersende smaak. Zo wrang dat alles in je mond samentrekt en ruw en stroef aanvoelt. Niet zo vreemd dat een van de volksnamen voor dit gewas 'trekkebek' is. Nee, de bes van de Sleedoorn is niet bedoeld voor rauwe consumptie, hoe gezond hij ook mag zijn met zijn hoge gehalte aan vruchtenzuren, aroma's en vitamine C.
Gelukkig helpt de natuur ons wel een handje, want als het in de herfst heeft gevroren, smaken de pruimpjes al aanzienlijk beter. Hoe meer vorst er overheen gaat, hoe zachter de smaak, want eerst moet de 'vriezeman' zijn geweest, zoals vroeger wel werd gezegd.

Sneeuwwitte bloesems
Zeer vroeg in het voorjaar, als de winter nog niet echt is weggetrokken, zie je de witte bloesem van de Sleedoorn als reuzen-sneeuwvlokken op de takken liggen.
 In kwakkelige lentes vallen de Sleedoorns niet zo op, omdat bij aanhoudend vochtig weer de bladeren al tussen de bloemen verschijnen. Maar in een helder voorjaar springt de Sleedoornbloesem in het oog en verbaas je je erover dat er eigenlijk zoveel
van die struiken in ons land zijn. Als priemende witte zwaarden steken ze naar alle kanten en geven de lente een maagdelijke betovering.
 
Doornroosje
De Sleedoorn is een struik die zich rijkelijk vertakt en een dicht struweel kan opleveren. Het is deze groeivorm met de overvloedige aanwezigheid van doorns, die model heeft gestaan voor het sprookje van Doornroosje (opgetekend door de gebroeders Grimm). Niet een Rozenstruik, zoals de naam van het sprookje lijkt aan te geven, maar de wat minder poëtische Sleedoorn werd namelijk in de Middeleeuwen veel toegepast als haag en afscherming van huis en hof.
In het sprookje gaat het aldus: 'Rondom het slot begon een doornhaag te groeien die elk jaar hoger werd en ten slotte het hele slot omgaf en er bovenuit groeide, zodat er niets meer van te zien was, zelfs de vlag op het dak niet meer.' Dat wijst op de enorme groeikracht van de Sleedoorn, die met zijn vier meter weliswaar niet zo hoog kan worden als in een sprookje, maar toch een sterk en ondoordringbaar struweel kan vormen, waarvan de takdoorns in elkaar vervlochten raken. Het sprookje vervolgt aldus: 'Het was niemand mogelijk om het slot binnen te dringen, want de doornen bleven - alsof ze handen hadden - vast met elkaar verbonden, en de jongelingen bleven er in hangen, konden niet meer loskomen en stierven een jammerlijke dood.' 
 
Het hout
Keihard is het hout, harder nog dan welke andere inheemse plant dan ook, en het is alleen met een draaibank te bewerken.  Tegenover dit harde, taaie en ontoegankelijke karakter van de plant staat de tere uitbundigheid waarmee hij, schijnbaar uit het dode hout, in het voorjaar bloeit. Alsof er even een glimlach verschijnt op het verweerde gezicht van een knorrige oude man...
Toepassingen
Nog altijd kun je in bepaalde streken regelmatig oude mannen aantreffen bij een drankje met de speelse naam 'Voerdrupke'.
De Voerstreek van België, even onder Nederlands Zuid-Limburg, is de bakermat van deze Sleedoornjenever. Het is een zoete, oranjeachtige drank waarin Sleedoornpruimpjes zijn verwerkt, die in de Voerstreek overvloedig voorkomen. Daar groeien ze vooral aan bosranden en wegbermen en de plaatselijke bevolking noemt de pruimpjes 'sjlieëkreke'. In het Voerens dialect bestaat ook de uitdrukking 'sjlieë täng': het gevoel dat je aan je tanden krijgt na het eten van een zure appel, rabarber of deze 'sleeuwe pruimpjes'.
 
Mantel van Sleedoorn
In Nederland komt de Sleedoorn vrij algemeen voor in bosranden: plekken waar sprake is van een overgang tussen een open en een gesloten landschap. Een mooi voorbeeld van dit 'overgangskarakter' van de plant treffen we aan in de mantelbegroeiingen van onze bossen. De term 'mantel' is bedacht om aan te geven dat een goed ontwikkeld loofbos zich tegen het aangrenzende terrein als het ware afschermt door een dichte rand van heesters, vaak doornstruiken, met daarin Sleedoorn, Meidoorn, Vlier, Liguster, Egelantier en nog enkele heestersoorten. Al deze mantelvegetaties, tezamen met de struwelen in de duinen, zijn genoemd naar de Sleedoorn: Prunetalia spinosae. Kenmerkend voor deze mantel is een zekere dynamiek: aan de ene kant de rust en de beslotenheid van het bos, aan de andere kant de open vlakte van het grasland, die steeds weer verandert door het ingrijpen van de mens. Daar staat de Sleedoorn tussenin, ook wat betreft de grootte van de plant: als struik houdt hij het midden tussen de kruiden van het grasland en de hoog opgaande bomen van het achterliggende bos.
 
Houtwalbeken
In nog een ander milieu komt dit overgangskarakter van de Sleedoorn tot uiting en wel in de Twentse houtwalbeken, die kenmerkend zijn voor oud cultuurland.
Aan weerszijden heeft de vrij diepe en brede beek oeverwallen opgeworpen, die door de mens werden opgehoogd en verzorgd, omdat ze de beek in toom hielden. Liggen deze wallen buiten het bos dan zijn ze begroeid met vaak zeer dicht en doornig struweel, dat vooral bestaat uit Sleedoorn en Braam met hun ondergroei. Deze struwelen kunnen flink uitgroeien tot opgaande bosjes die uit wel twintig soorten houtige gewassen bestaan, voor Nederland een grote rijkdom.
Toch kun je soms ook midden in een weiland Sleedoornstruiken aantreffen. Vanwege de sterke doorns zijn de struiken oneetbaar voor het vee en daar profiteren ook andere planten van. Eiken bijvoorbeeld kiemen in deze struiken en kunnen flink opgroeien zonder dat ze door de dieren worden opgevreten. Daarom kun je, soms lang nadat de Sleedoorns zijn verdwenen, midden in een weiland een Eik aantreffen. Zonder de Sleedoorn was hij er nooit gekomen!
 

 naar Groentips

Oude Rijksweg 97 - 4458 AK 's-Heer Arendskerke - Email info@allemekinders.nl - Tel. 0113-563798 - Fax. 0113-567576
by PreSoft